Cement blijft een van de lastigste bouwmaterialen om te verduurzamen, niet omdat de sector “niet wil”, maar omdat een groot deel van de uitstoot in de chemie van klinkerproductie zit. In 2026 is de meest realistische route naar lager koolstofcement zelden één enkele techniek: het is een combinatie van maatregelen die het klinkergehalte verlaagt, brandstofemissies reduceert en—waar schaal en geologie het toelaten—proces-CO₂ bij de oven afvangt. In dit artikel lees je wat “calcinatie met CO₂-afvang” in de praktijk betekent op een cementfabriek, en waar alternatieve bindmiddelen zoals LC3 en nieuwere cementchemieën passen als je betrouwbare sterkte, duurzaamheid en voorspelbare levering nodig hebt.
Het grootste deel van de CO₂-uitstoot bij cement komt uit calcinatie: het verhitten van kalksteen (CaCO₃) waardoor CO₂ vrijkomt en er kalk (CaO) ontstaat. Die proces-CO₂ is anders dan brandstof-CO₂: zelfs als een oven op lage-koolstofenergie draait, blijft de chemische uitstoot bestaan tenzij je de grondstofmix verandert of de CO₂ afvangt.
Daar komt bij dat klinker zeer hoge temperaturen vereist (typisch rond 1.450°C in de brandzone). Energie-efficiëntie, brandstofswitching en warmteterugwinning zijn belangrijk, maar leveren op zichzelf geen diepe reducties. Fabrieken kunnen de emissie-intensiteit verlagen door de klinker-cementverhouding te verminderen (via aanvullende cementachtige materialen), maar beschikbaarheid en normen begrenzen vaak hoe ver dit in echte markten kan gaan.
In 2026 zijn de “werkpaard”-maatregelen in de sector behoorlijk duidelijk: minder klinker, betere thermische efficiëntie, waar mogelijk lagere-emissiefuels, en CO₂-afvang als hoofdhefboom om de resterende procesemissies weg te nemen. Daarom combineren serieuze routekaarten steeds vaker lagere-klinkerbindmiddelen met CCUS, in plaats van te gokken op één wonderoplossing.
CO₂-afvang in een cementfabriek richt zich meestal op de geconcentreerde gasstromen rond voorverwarmer/voorcalcinator en de oven, waar het CO₂-percentage hoger is dan in veel andere industrieën. De techniek kan post-combustion zijn (amines of andere oplosmiddelen), oxyfuel (verbranding in zuurstof om een CO₂-rijke rookgasstroom te krijgen) of meer gespecialiseerde routes zoals calcium looping. Elke optie verandert warmteintegratie, elektriciteitsvraag en onderhoud—“even afvang toevoegen” is dus nooit een kleine retrofit.
De praktische uitdaging zit niet alleen in de afvangunit, maar ook in alles eromheen: rookgasconditionering, stofafscheiding, oplosmiddelbeheer (bij amines), stoomvoorziening en compressie/liquefactie vóór transport en opslag. Afvang beïnvloedt bovendien procesvoering: kleine verschuivingen in zuurstofniveau, gasstromen en vocht kunnen doorwerken in klinkerkwaliteit en brandstofrendement. Het is dus net zo goed een procesregelproject als een emissieproject.
Een nuttige reality check is dat grootschalige cement-CCS inmiddels van pilottalk naar operationele assets is gegaan. Heidelberg Materials’ Brevik CCS in Noorwegen wordt breed gepresenteerd als de eerste industriële CCS-installatie in de cementindustrie, ontworpen om circa 400.000 ton CO₂ per jaar af te vangen en de productie van een CO₂-afgevangen cementproduct (evoZero) te ondersteunen. Zulke referenties zijn belangrijk: afvang kán in cement, maar vraagt opslagtoegang, langetermijncontracten en een complete keten van afvang tot permanente opslag.
Als je emissies wilt verlagen zonder afhankelijk te zijn van een CO₂-transport- en opslagnetwerk, is limestone calcined clay cement (LC3) in 2026 een van de sterkste kandidaten voor opschaling. LC3 is een ternair systeem waarin een deel van de klinker wordt vervangen door gecalcineerde klei en kalksteen, met een chemie die zo is ontworpen dat aluminium uit de klei en carbonaat uit kalksteen tijdens hydratatie samenwerken.
De praktische aantrekkingskracht zit in de grondstoffenbasis: geschikte klei en kalksteen komen in veel regio’s voor, ook waar slak of vliegas niet betrouwbaar beschikbaar is. LC3 kan de CO₂-intensiteit merkbaar verlagen door het klinkergehalte te reduceren, terwijl prestaties binnen bandbreedtes blijven die betonproducenten kennen—mits de klei goed geselecteerd en correct gecalcineerd wordt. In technische literatuur en projectrapportage wordt LC3 vaak beschreven als een route naar significante emissiereductie ten opzichte van standaard Portlandcement, zonder dat je een volledige herbouw van de fabriek nodig hebt.
Adoptie beperkt zich niet meer tot labproeven. Een zichtbaar voorbeeld uit 2025 is het gebruik van LC3 op een groot infrastructuurproject (Noida International Airport, India). Dat soort toepassing dwingt specificatie, kwaliteitsborging en logistiek om zich in de praktijk te bewijzen. Het telt pas echt als het materiaal op schaal kan worden geleverd, gestort, uitgehard, getest en gecertificeerd.
LC3-prestaties zijn sterk gevoelig voor de reactiviteit van de klei en voor de beheersing van het calcinatieproces. Simpel gezegd: “klei” is geen uniform materiaal. Kaolinietrijke kleien leveren doorgaans reactief metakaolien na calcinatie, terwijl andere kleitypen strakkere procesvensters vragen of minder reactiviteit geven. Producenten volgen daarom niet alleen chemie (XRF), maar ook mineralogie en reactief aluminium, omdat die parameters sterkteontwikkeling en verwerkbaarheid beter voorspellen dan totale oxidepercentages.
Calcinatie is een controleerbare stap op lagere temperatuur dan klinkerbranden, wat interessante opties opent voor elektrificatie en alternatieve warmtebronnen. Tegelijk blijft stabiliteit cruciaal: constante verblijftijd, uniforme temperatuur en goede stofbeheersing om onder- of overbranden van klei te vermijden (beide verlagen de reactiviteit). Voor betonproducenten is consistentie de sleutel: stabiele LC3 betekent voorspelbare waterbehoefte, goede compatibiliteit met hulpstoffen en betrouwbare vroege sterkte—waardoor men minder geneigd is variatie “op te lossen” met extra cement.
Ook de keuze van specificaties is belangrijk. Prescriptieve normen beperken soms klinkervervanging, zelfs als prestaties voldoende zijn. Daarom verschuiven veel markten langzaam richting prestatiegerichte benaderingen die duurzaamheid en sterkte als uitkomst centraal zetten in plaats van exacte ingrediëntenlijsten. Voor projectteams vertaalt dat zich naar een praktische checklist: bevestig normacceptatie, vraag bewijs (duurzaamheidsindicatoren, permeabiliteit/RCPT of equivalent, sulfaatbestendigheid waar relevant) en stem curing en mengselontwerp af op het sterkteverloop van het cement, in plaats van te doen alsof het zich exact als CEM I/OPC gedraagt.

Naast LC3 zijn er in 2026 meerdere families van alternatieve bindmiddelen die relevant zijn, maar niet uitwisselbaar. Calcium-sulfoaluminaat (CSA)-cementen kunnen snel sterkte opbouwen en vereisen doorgaans lagere oventemperaturen dan Portlandklinker, wat CO₂ kan reduceren—zeker als de grondstofmix geoptimaliseerd is. Belietrijke systemen (waaronder beliet-ye’elimiet-ferriet, BYF) worden ook onderzocht omdat ze het kalksteenverbruik en procestemperaturen kunnen verlagen terwijl ze met de juiste formulering bruikbare sterkte leveren.
Alkali-geactiveerde bindmiddelen (in sommige contexten “geopolymeer” genoemd) kunnen de vraag naar klinker sterk verminderen door aluminosilicaat-precursoren te gebruiken, zoals slak, gecalcineerde klei of andere industriële mineralen. De beperkingen zijn niet alleen technisch, maar ook logistiek: beschikbaarheid van precursoren, omgang met activatoren, constante grondstofkwaliteit en lokale bouwregels die deze bindmiddelen soms niet erkennen voor structureel gebruik. Waar ze wél passen—prefab, specialistische betonmengsels of projecten met sterke opdrachtgeversturing—kunnen ze een serieuze optie zijn.
Er bestaat ook een stillere klasse oplossingen die emissies op betonniveau verlaagt, los van de binderchemie: geoptimaliseerd mengselontwerp, betere korrelpakking en carbonatiegerichte benaderingen (zoals CO₂-uitharding voor bepaalde producten). Ze vervangen laagkoolstofcement niet, maar verschuiven wel de systeemgrens: als je dezelfde prestaties haalt met minder binder per kubieke meter, daalt de embodied CO₂ zelfs zonder radicale cementverandering.
Begin met de functionele eisen, niet met het etiket op de zak. Voor constructief beton gaat het meestal om karakteristieke sterkte op bepaalde leeftijden, duurzaamheids-/expositieklasse, verwerkbaarheid en compatibiliteit met wapening en hulpstoffen. In sulfaatrijke omgevingen, bij vorst-dooi of in mariene zones moet de binderkeuze met bewijs onderbouwd zijn—zeker wanneer de cementchemie afwijkt van standaard Portlandsystemen.
Behandel embodied carbon vervolgens als een meetbare parameter. In 2026 worden Environmental Product Declarations (EPD’s) in veel markten breed gebruikt en ze maken vergelijking mogelijk binnen gedeclareerde systeemgrenzen. Praktisch kun je een maximale globale opwarmingsimpact specificeren per ton cement (of per kubieke meter beton) en tegelijk prestatietests eisen. Dat dwingt de keten te concurreren op verifieerbare data in plaats van claims, en helpt inkopers “groene” producten te vermijden die in de praktijk weinig opleveren.
Tot slot: beheers risico met gefaseerde adoptie. Voor veel teams is een incrementele aanpak het veiligst: gebruik LC3 of lagere-klinkercementen eerst in minder blootgestelde elementen, verifieer variatie in productie, en breid daarna uit naar structurele stortingen zodra er testhistorie is opgebouwd. Bij CCS-gebaseerd cement liggen de kernvragen anders: continuïteit van afvang, chain-of-custody voor opgeslagen CO₂ en contractuele helderheid over hoe “afgevangen” wordt gedocumenteerd. Een laagkoolstofstrategie werkt wanneer ze steunt op data, herhaalbare QA/QC en een mix design dat de chemie respecteert in plaats van ertegenin te werken.